groeperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of groeperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: groeperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: groeperend
Past participle - Verleden deelwoord: gegroepeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgroepeer
jijgroepeert
hijgroepeert
wijgroeperen
julliegroeperen
zijgroeperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegroepeerd
jijhebt gegroepeerd
hijheeft gegroepeerd
wijhebben gegroepeerd
julliehebben gegroepeerd
zijhebben gegroepeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgroepeerde
jijgroepeerde
hijgroepeerde
wijgroepeerden
julliegroepeerden
zijgroepeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegroepeerd
jijhad gegroepeerd
hijhad gegroepeerd
wijhadden gegroepeerd
julliehadden gegroepeerd
zijhadden gegroepeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal groeperen
jijzult groeperen
hijzal groeperen
wijzullen groeperen
julliezullen groeperen
zijzullen groeperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegroepeerd hebben
jijzult gegroepeerd hebben
hijzal gegroepeerd hebben
wijzullen gegroepeerd hebben
julliezullen gegroepeerd hebben
zijzullen gegroepeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou groeperen
jijzou groeperen
hijzou groeperen
wijzouden groeperen
julliezouden groeperen
zijzouden groeperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegroepeerd hebben
jijzou gegroepeerd hebben
hijzou gegroepeerd hebben
wijzouden gegroepeerd hebben
julliezouden gegroepeerd hebben
zijzouden gegroepeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgroepeer

Translations

  • group, put together to form a group
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information