fungeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fungeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fungeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fungerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefungeerd

Cognates

See the 5 cognates of fungeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfungeer
jijfungeert
hijfungeert
wijfungeren
julliefungeren
zijfungeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefungeerd
jijhebt gefungeerd
hijheeft gefungeerd
wijhebben gefungeerd
julliehebben gefungeerd
zijhebben gefungeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfungeerde
jijfungeerde
hijfungeerde
wijfungeerden
julliefungeerden
zijfungeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefungeerd
jijhad gefungeerd
hijhad gefungeerd
wijhadden gefungeerd
julliehadden gefungeerd
zijhadden gefungeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fungeren
jijzult fungeren
hijzal fungeren
wijzullen fungeren
julliezullen fungeren
zijzullen fungeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefungeerd hebben
jijzult gefungeerd hebben
hijzal gefungeerd hebben
wijzullen gefungeerd hebben
julliezullen gefungeerd hebben
zijzullen gefungeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fungeren
jijzou fungeren
hijzou fungeren
wijzouden fungeren
julliezouden fungeren
zijzouden fungeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefungeerd hebben
jijzou gefungeerd hebben
hijzou gefungeerd hebben
wijzouden gefungeerd hebben
julliezouden gefungeerd hebben
zijzouden gefungeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfungeer

Translations

  • function, to have a function
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    functioneren
    optreden

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin fungor. See: Latin 'fungor'.

    Verbs referencing "fungeren"

    Swedish fungera.

    Additional Information