fronsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fronsen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fronsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fronsend
Past participle - Verleden deelwoord: gefronst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrons
jijfronst
hijfronst
wijfronsen
julliefronsen
zijfronsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefronst
jijhebt gefronst
hijheeft gefronst
wijhebben gefronst
julliehebben gefronst
zijhebben gefronst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfronste
jijfronste
hijfronste
wijfronsten
julliefronsten
zijfronsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefronst
jijhad gefronst
hijhad gefronst
wijhadden gefronst
julliehadden gefronst
zijhadden gefronst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fronsen
jijzult fronsen
hijzal fronsen
wijzullen fronsen
julliezullen fronsen
zijzullen fronsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefronst hebben
jijzult gefronst hebben
hijzal gefronst hebben
wijzullen gefronst hebben
julliezullen gefronst hebben
zijzullen gefronst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fronsen
jijzou fronsen
hijzou fronsen
wijzouden fronsen
julliezouden fronsen
zijzouden fronsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefronst hebben
jijzou gefronst hebben
hijzou gefronst hebben
wijzouden gefronst hebben
julliezouden gefronst hebben
zijzouden gefronst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrons

Translations

  • frown, to have a frown on one's face
  • furrow, to pull one's brows together
  • knot, form wrinkles in forehead
  • pucker, to pinch or wrinkle; to squeeze inwardly, to dimple or fold
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ze fronste haar wenkbrauwen in verwarring. (She furrowed her eyebrows in confusion.)
    • Waarom frons je? (Why are you frowning?)
    • Hij fronste toen hij het slechte nieuws hoorde. (He frowned when he heard the bad news.)

    Etymology

    From Middle Dutch fronsen, from Old French froncer.

    Additional Information