fretten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fretten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fretten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: frettend
Past participle - Verleden deelwoord: gefret

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfret
jijfret
hijfret
wijfretten
julliefretten
zijfretten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefret
jijhebt gefret
hijheeft gefret
wijhebben gefret
julliehebben gefret
zijhebben gefret

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfrette
jijfrette
hijfrette
wijfretten
julliefretten
zijfretten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefret
jijhad gefret
hijhad gefret
wijhadden gefret
julliehadden gefret
zijhadden gefret

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fretten
jijzult fretten
hijzal fretten
wijzullen fretten
julliezullen fretten
zijzullen fretten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefret hebben
jijzult gefret hebben
hijzal gefret hebben
wijzullen gefret hebben
julliezullen gefret hebben
zijzullen gefret hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fretten
jijzou fretten
hijzou fretten
wijzouden fretten
julliezouden fretten
zijzouden fretten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefret hebben
jijzou gefret hebben
hijzou gefret hebben
wijzouden gefret hebben
julliezouden gefret hebben
zijzouden gefret hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfret

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Variant of vreten (“to eat”), possibly from cognate West Frisian frette or influenced by other cognate forms (compare German fressen, Westphalian Low German friätten, northern Low German frett, third-person singular of freten). See: German, old spelling 'fressen', Low Saxon 'friätten'.

Additional Information