fractioneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fractioneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fractioneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fractionerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefractioneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfractioneer
jijfractioneert
hijfractioneert
wijfractioneren
julliefractioneren
zijfractioneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefractioneerd
jijhebt gefractioneerd
hijheeft gefractioneerd
wijhebben gefractioneerd
julliehebben gefractioneerd
zijhebben gefractioneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfractioneerde
jijfractioneerde
hijfractioneerde
wijfractioneerden
julliefractioneerden
zijfractioneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefractioneerd
jijhad gefractioneerd
hijhad gefractioneerd
wijhadden gefractioneerd
julliehadden gefractioneerd
zijhadden gefractioneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fractioneren
jijzult fractioneren
hijzal fractioneren
wijzullen fractioneren
julliezullen fractioneren
zijzullen fractioneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefractioneerd hebben
jijzult gefractioneerd hebben
hijzal gefractioneerd hebben
wijzullen gefractioneerd hebben
julliezullen gefractioneerd hebben
zijzullen gefractioneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fractioneren
jijzou fractioneren
hijzou fractioneren
wijzouden fractioneren
julliezouden fractioneren
zijzouden fractioneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefractioneerd hebben
jijzou gefractioneerd hebben
hijzou gefractioneerd hebben
wijzouden gefractioneerd hebben
julliezouden gefractioneerd hebben
zijzouden gefractioneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfractioneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information