formatteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of formatteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: formatteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: formatterend
Past participle - Verleden deelwoord: geformatteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikformatteer
jijformatteert
hijformatteert
wijformatteren
jullieformatteren
zijformatteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geformatteerd
jijhebt geformatteerd
hijheeft geformatteerd
wijhebben geformatteerd
julliehebben geformatteerd
zijhebben geformatteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikformatteerde
jijformatteerde
hijformatteerde
wijformatteerden
jullieformatteerden
zijformatteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geformatteerd
jijhad geformatteerd
hijhad geformatteerd
wijhadden geformatteerd
julliehadden geformatteerd
zijhadden geformatteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal formatteren
jijzult formatteren
hijzal formatteren
wijzullen formatteren
julliezullen formatteren
zijzullen formatteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geformatteerd hebben
jijzult geformatteerd hebben
hijzal geformatteerd hebben
wijzullen geformatteerd hebben
julliezullen geformatteerd hebben
zijzullen geformatteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou formatteren
jijzou formatteren
hijzou formatteren
wijzouden formatteren
julliezouden formatteren
zijzouden formatteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geformatteerd hebben
jijzou geformatteerd hebben
hijzou geformatteerd hebben
wijzouden geformatteerd hebben
julliezouden geformatteerd hebben
zijzouden geformatteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijformatteer

Translations

  • format, computing: prepare a mass storage medium for initial use
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information