fixen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fixen

The word "fixen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fixen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fixend
Past participle - Verleden deelwoord: gefiixd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfiix
jijfiixt
hijfiixt
wijfixen
julliefixen
zijfixen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefiixd
jijhebt gefiixd
hijheeft gefiixd
wijhebben gefiixd
julliehebben gefiixd
zijhebben gefiixd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfiixde
jijfiixde
hijfiixde
wijfiixden
julliefiixden
zijfiixden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefiixd
jijhad gefiixd
hijhad gefiixd
wijhadden gefiixd
julliehadden gefiixd
zijhadden gefiixd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fixen
jijzult fixen
hijzal fixen
wijzullen fixen
julliezullen fixen
zijzullen fixen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefiixd hebben
jijzult gefiixd hebben
hijzal gefiixd hebben
wijzullen gefiixd hebben
julliezullen gefiixd hebben
zijzullen gefiixd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fixen
jijzou fixen
hijzou fixen
wijzouden fixen
julliezouden fixen
zijzouden fixen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefiixd hebben
jijzou gefiixd hebben
hijzou gefiixd hebben
wijzouden gefiixd hebben
julliezouden gefiixd hebben
zijzouden gefiixd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfiix

Verbs similar to 'fixen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English fix. See: English 'fix'.

Additional Information