festonneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of festonneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: festonneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: festonnerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefestonneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfestonneer
jijfestonneert
hijfestonneert
wijfestonneren
julliefestonneren
zijfestonneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefestonneerd
jijhebt gefestonneerd
hijheeft gefestonneerd
wijhebben gefestonneerd
julliehebben gefestonneerd
zijhebben gefestonneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfestonneerde
jijfestonneerde
hijfestonneerde
wijfestonneerden
julliefestonneerden
zijfestonneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefestonneerd
jijhad gefestonneerd
hijhad gefestonneerd
wijhadden gefestonneerd
julliehadden gefestonneerd
zijhadden gefestonneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal festonneren
jijzult festonneren
hijzal festonneren
wijzullen festonneren
julliezullen festonneren
zijzullen festonneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefestonneerd hebben
jijzult gefestonneerd hebben
hijzal gefestonneerd hebben
wijzullen gefestonneerd hebben
julliezullen gefestonneerd hebben
zijzullen gefestonneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou festonneren
jijzou festonneren
hijzou festonneren
wijzouden festonneren
julliezouden festonneren
zijzouden festonneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefestonneerd hebben
jijzou gefestonneerd hebben
hijzou gefestonneerd hebben
wijzouden gefestonneerd hebben
julliezouden gefestonneerd hebben
zijzouden gefestonneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfestonneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information