fakkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fakkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fakkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fakkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefakkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfakkel
jijfakkelt
hijfakkelt
wijfakkelen
julliefakkelen
zijfakkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefakkeld
jijhebt gefakkeld
hijheeft gefakkeld
wijhebben gefakkeld
julliehebben gefakkeld
zijhebben gefakkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfakkelde
jijfakkelde
hijfakkelde
wijfakkelden
julliefakkelden
zijfakkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefakkeld
jijhad gefakkeld
hijhad gefakkeld
wijhadden gefakkeld
julliehadden gefakkeld
zijhadden gefakkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fakkelen
jijzult fakkelen
hijzal fakkelen
wijzullen fakkelen
julliezullen fakkelen
zijzullen fakkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefakkeld hebben
jijzult gefakkeld hebben
hijzal gefakkeld hebben
wijzullen gefakkeld hebben
julliezullen gefakkeld hebben
zijzullen gefakkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fakkelen
jijzou fakkelen
hijzou fakkelen
wijzouden fakkelen
julliezouden fakkelen
zijzouden fakkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefakkeld hebben
jijzou gefakkeld hebben
hijzou gefakkeld hebben
wijzouden gefakkeld hebben
julliezouden gefakkeld hebben
zijzouden gefakkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfakkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information