emulgeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of emulgeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: emulgeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: emulgerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmulgeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikemulgeer
jijemulgeert
hijemulgeert
wijemulgeren
jullieemulgeren
zijemulgeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmulgeerd
jijhebt geëmulgeerd
hijheeft geëmulgeerd
wijhebben geëmulgeerd
julliehebben geëmulgeerd
zijhebben geëmulgeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikemulgeerde
jijemulgeerde
hijemulgeerde
wijemulgeerden
jullieemulgeerden
zijemulgeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmulgeerd
jijhad geëmulgeerd
hijhad geëmulgeerd
wijhadden geëmulgeerd
julliehadden geëmulgeerd
zijhadden geëmulgeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal emulgeren
jijzult emulgeren
hijzal emulgeren
wijzullen emulgeren
julliezullen emulgeren
zijzullen emulgeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmulgeerd hebben
jijzult geëmulgeerd hebben
hijzal geëmulgeerd hebben
wijzullen geëmulgeerd hebben
julliezullen geëmulgeerd hebben
zijzullen geëmulgeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou emulgeren
jijzou emulgeren
hijzou emulgeren
wijzouden emulgeren
julliezouden emulgeren
zijzouden emulgeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmulgeerd hebben
jijzou geëmulgeerd hebben
hijzou geëmulgeerd hebben
wijzouden geëmulgeerd hebben
julliezouden geëmulgeerd hebben
zijzouden geëmulgeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijemulgeer

Translations

  • emulsify, make into an emulsion
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin ēmulgeō. See: Latin 'ēmulgeō'.

    Additional Information