emenderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of emenderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: emenderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: emenderend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmendeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikemendeer
jijemendeert
hijemendeert
wijemenderen
jullieemenderen
zijemenderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmendeerd
jijhebt geëmendeerd
hijheeft geëmendeerd
wijhebben geëmendeerd
julliehebben geëmendeerd
zijhebben geëmendeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikemendeerde
jijemendeerde
hijemendeerde
wijemendeerden
jullieemendeerden
zijemendeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmendeerd
jijhad geëmendeerd
hijhad geëmendeerd
wijhadden geëmendeerd
julliehadden geëmendeerd
zijhadden geëmendeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal emenderen
jijzult emenderen
hijzal emenderen
wijzullen emenderen
julliezullen emenderen
zijzullen emenderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmendeerd hebben
jijzult geëmendeerd hebben
hijzal geëmendeerd hebben
wijzullen geëmendeerd hebben
julliezullen geëmendeerd hebben
zijzullen geëmendeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou emenderen
jijzou emenderen
hijzou emenderen
wijzouden emenderen
julliezouden emenderen
zijzouden emenderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmendeerd hebben
jijzou geëmendeerd hebben
hijzou geëmendeerd hebben
wijzouden geëmendeerd hebben
julliezouden geëmendeerd hebben
zijzouden geëmendeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijemendeer

Translations

  • emend, to correct and revise
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch emenderen, from Middle French émender, from Old French emender, from Latin ēmendō. See: Latin 'ēmendō'.

    Additional Information