eisen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of eisen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: eisen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: eisend
Past participle - Verleden deelwoord: geëist

Cognates

See the 3 cognates of eisen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeis
jijeist
hijeist
wijeisen
jullieeisen
zijeisen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëist
jijhebt geëist
hijheeft geëist
wijhebben geëist
julliehebben geëist
zijhebben geëist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeiste
jijeiste
hijeiste
wijeisten
jullieeisten
zijeisten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëist
jijhad geëist
hijhad geëist
wijhadden geëist
julliehadden geëist
zijhadden geëist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal eisen
jijzult eisen
hijzal eisen
wijzullen eisen
julliezullen eisen
zijzullen eisen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëist hebben
jijzult geëist hebben
hijzal geëist hebben
wijzullen geëist hebben
julliezullen geëist hebben
zijzullen geëist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou eisen
jijzou eisen
hijzou eisen
wijzouden eisen
julliezouden eisen
zijzouden eisen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëist hebben
jijzou geëist hebben
hijzou geëist hebben
wijzouden geëist hebben
julliezouden geëist hebben
zijzouden geëist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeis

Translations

  • demand, to request forcefully
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    vergen
    verlangen, vorderen

    Sample Sentences

    • De ramp eiste het leven van 155 personen. (The disaster claimed the lives of 155 individuals.)

    Etymology

    From Middle Dutch eischen, from Old Dutch *eiskon, from Proto-West Germanic *aiskōn. See: Old Dutch '*eiskon'.

    Verbs referencing "eisen"

    English ask.

    Additional Information