eclipseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of eclipseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: eclipseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: eclipserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëclipseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikeclipseer
jijeclipseert
hijeclipseert
wijeclipseren
jullieeclipseren
zijeclipseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëclipseerd
jijhebt geëclipseerd
hijheeft geëclipseerd
wijhebben geëclipseerd
julliehebben geëclipseerd
zijhebben geëclipseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikeclipseerde
jijeclipseerde
hijeclipseerde
wijeclipseerden
jullieeclipseerden
zijeclipseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëclipseerd
jijhad geëclipseerd
hijhad geëclipseerd
wijhadden geëclipseerd
julliehadden geëclipseerd
zijhadden geëclipseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal eclipseren
jijzult eclipseren
hijzal eclipseren
wijzullen eclipseren
julliezullen eclipseren
zijzullen eclipseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëclipseerd hebben
jijzult geëclipseerd hebben
hijzal geëclipseerd hebben
wijzullen geëclipseerd hebben
julliezullen geëclipseerd hebben
zijzullen geëclipseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou eclipseren
jijzou eclipseren
hijzou eclipseren
wijzouden eclipseren
julliezouden eclipseren
zijzouden eclipseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëclipseerd hebben
jijzou geëclipseerd hebben
hijzou geëclipseerd hebben
wijzouden geëclipseerd hebben
julliezouden geëclipseerd hebben
zijzouden geëclipseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijeclipseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information