doubleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doubleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doubleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doublerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoubleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoubleer
jijdoubleert
hijdoubleert
wijdoubleren
julliedoubleren
zijdoubleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoubleerd
jijhebt gedoubleerd
hijheeft gedoubleerd
wijhebben gedoubleerd
julliehebben gedoubleerd
zijhebben gedoubleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoubleerde
jijdoubleerde
hijdoubleerde
wijdoubleerden
julliedoubleerden
zijdoubleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoubleerd
jijhad gedoubleerd
hijhad gedoubleerd
wijhadden gedoubleerd
julliehadden gedoubleerd
zijhadden gedoubleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doubleren
jijzult doubleren
hijzal doubleren
wijzullen doubleren
julliezullen doubleren
zijzullen doubleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoubleerd hebben
jijzult gedoubleerd hebben
hijzal gedoubleerd hebben
wijzullen gedoubleerd hebben
julliezullen gedoubleerd hebben
zijzullen gedoubleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doubleren
jijzou doubleren
hijzou doubleren
wijzouden doubleren
julliezouden doubleren
zijzouden doubleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoubleerd hebben
jijzou gedoubleerd hebben
hijzou gedoubleerd hebben
wijzouden gedoubleerd hebben
julliezouden gedoubleerd hebben
zijzouden gedoubleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoubleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French doubler with the suffix -eren.

Additional Information