Infinitive - Onbepaalde wijs: doorgronden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doorgrondend
Past participle - Verleden deelwoord: doorgegrond
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | grond door |
| jij | grondt door |
| hij | grondt door |
| wij | gronden door |
| jullie | gronden door |
| zij | gronden door |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb doorgegrond |
| jij | hebt doorgegrond |
| hij | heeft doorgegrond |
| wij | hebben doorgegrond |
| jullie | hebben doorgegrond |
| zij | hebben doorgegrond |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | grondde door |
| jij | grondde door |
| hij | grondde door |
| wij | grondden door |
| jullie | grondden door |
| zij | grondden door |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had doorgegrond |
| jij | had doorgegrond |
| hij | had doorgegrond |
| wij | hadden doorgegrond |
| jullie | hadden doorgegrond |
| zij | hadden doorgegrond |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal doorgronden |
| jij | zult doorgronden |
| hij | zal doorgronden |
| wij | zullen doorgronden |
| jullie | zullen doorgronden |
| zij | zullen doorgronden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal doorgegrond hebben |
| jij | zult doorgegrond hebben |
| hij | zal doorgegrond hebben |
| wij | zullen doorgegrond hebben |
| jullie | zullen doorgegrond hebben |
| zij | zullen doorgegrond hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou doorgronden |
| jij | zou doorgronden |
| hij | zou doorgronden |
| wij | zouden doorgronden |
| jullie | zouden doorgronden |
| zij | zouden doorgronden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou doorgegrond hebben |
| jij | zou doorgegrond hebben |
| hij | zou doorgegrond hebben |
| wij | zouden doorgegrond hebben |
| jullie | zouden doorgegrond hebben |
| zij | zouden doorgegrond hebben |
| jij | grond door |