Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: dooien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dooiend
Past participle - Verleden deelwoord: gedooid
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'dooien'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'dooien'
fooien,
gooien,
looien,
boeien,
doden,
doeken,
doelen,
doen,
doffen,
dogen,
Translations
thaw, to melt, dissolve, or become fluid
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
Etymology
From Middle Dutch dôyen, from Old Dutch *thōien, from Proto-West Germanic *þauwjan, from Proto-Germanic *þawjaną. See: Proto-Germanic '
*þawjaną'.
Verbs referencing "dooien"
English
thaw.
Additional Information