dooien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dooien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dooien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dooiend
Past participle - Verleden deelwoord: gedooid

Cognates

See the 6 cognates of dooien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijdooit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gedooid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijdooide

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gedooid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal dooien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gedooid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou dooien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gedooid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • thaw, to melt, dissolve, or become fluid
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch dôyen, from Old Dutch *thōien, from Proto-West Germanic *þauwjan, from Proto-Germanic *þawjaną. See: Proto-Germanic '*þawjaną'.

    Verbs referencing "dooien"

    English thaw.

    Additional Information