dokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gedokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdok
jijdokt
hijdokt
wijdokken
julliedokken
zijdokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedokt
jijhebt gedokt
hijheeft gedokt
wijhebben gedokt
julliehebben gedokt
zijhebben gedokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdokte
jijdokte
hijdokte
wijdokten
julliedokten
zijdokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedokt
jijhad gedokt
hijhad gedokt
wijhadden gedokt
julliehadden gedokt
zijhadden gedokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dokken
jijzult dokken
hijzal dokken
wijzullen dokken
julliezullen dokken
zijzullen dokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedokt hebben
jijzult gedokt hebben
hijzal gedokt hebben
wijzullen gedokt hebben
julliezullen gedokt hebben
zijzullen gedokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dokken
jijzou dokken
hijzou dokken
wijzouden dokken
julliezouden dokken
zijzouden dokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedokt hebben
jijzou gedokt hebben
hijzou gedokt hebben
wijzouden gedokt hebben
julliezouden gedokt hebben
zijzouden gedokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdok

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afschuiven
betalen
betalen
afdragen, afrekenen, financieren, uitkeren, vereffenen, voldoen
neerleggen
betalen, neertellen
offeren
betalen
opdraaien
betalen, boeten
schuiven
betalen, schokken

Sample Sentences

Etymology

From dok (“dock”).

Additional Information