diplomeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of diplomeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: diplomeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: diplomerend
Past participle - Verleden deelwoord: gediplomeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdiplomeer
jijdiplomeert
hijdiplomeert
wijdiplomeren
julliediplomeren
zijdiplomeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gediplomeerd
jijhebt gediplomeerd
hijheeft gediplomeerd
wijhebben gediplomeerd
julliehebben gediplomeerd
zijhebben gediplomeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdiplomeerde
jijdiplomeerde
hijdiplomeerde
wijdiplomeerden
julliediplomeerden
zijdiplomeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gediplomeerd
jijhad gediplomeerd
hijhad gediplomeerd
wijhadden gediplomeerd
julliehadden gediplomeerd
zijhadden gediplomeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal diplomeren
jijzult diplomeren
hijzal diplomeren
wijzullen diplomeren
julliezullen diplomeren
zijzullen diplomeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gediplomeerd hebben
jijzult gediplomeerd hebben
hijzal gediplomeerd hebben
wijzullen gediplomeerd hebben
julliezullen gediplomeerd hebben
zijzullen gediplomeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou diplomeren
jijzou diplomeren
hijzou diplomeren
wijzouden diplomeren
julliezouden diplomeren
zijzouden diplomeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gediplomeerd hebben
jijzou gediplomeerd hebben
hijzou gediplomeerd hebben
wijzouden gediplomeerd hebben
julliezouden gediplomeerd hebben
zijzouden gediplomeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdiplomeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French diplômer. By surface analysis, diploma + -eren. See: French 'diplômer'.

Additional Information