dialogiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dialogiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dialogiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dialogiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedialogiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdialogiseer
jijdialogiseert
hijdialogiseert
wijdialogiseren
julliedialogiseren
zijdialogiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedialogiseerd
jijhebt gedialogiseerd
hijheeft gedialogiseerd
wijhebben gedialogiseerd
julliehebben gedialogiseerd
zijhebben gedialogiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdialogiseerde
jijdialogiseerde
hijdialogiseerde
wijdialogiseerden
julliedialogiseerden
zijdialogiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedialogiseerd
jijhad gedialogiseerd
hijhad gedialogiseerd
wijhadden gedialogiseerd
julliehadden gedialogiseerd
zijhadden gedialogiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dialogiseren
jijzult dialogiseren
hijzal dialogiseren
wijzullen dialogiseren
julliezullen dialogiseren
zijzullen dialogiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedialogiseerd hebben
jijzult gedialogiseerd hebben
hijzal gedialogiseerd hebben
wijzullen gedialogiseerd hebben
julliezullen gedialogiseerd hebben
zijzullen gedialogiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dialogiseren
jijzou dialogiseren
hijzou dialogiseren
wijzouden dialogiseren
julliezouden dialogiseren
zijzouden dialogiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedialogiseerd hebben
jijzou gedialogiseerd hebben
hijzou gedialogiseerd hebben
wijzouden gedialogiseerd hebben
julliezouden gedialogiseerd hebben
zijzouden gedialogiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdialogiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information