derangeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of derangeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: derangeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: derangerend
Past participle - Verleden deelwoord: gederangeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikderangeer
jijderangeert
hijderangeert
wijderangeren
julliederangeren
zijderangeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gederangeerd
jijhebt gederangeerd
hijheeft gederangeerd
wijhebben gederangeerd
julliehebben gederangeerd
zijhebben gederangeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikderangeerde
jijderangeerde
hijderangeerde
wijderangeerden
julliederangeerden
zijderangeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gederangeerd
jijhad gederangeerd
hijhad gederangeerd
wijhadden gederangeerd
julliehadden gederangeerd
zijhadden gederangeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal derangeren
jijzult derangeren
hijzal derangeren
wijzullen derangeren
julliezullen derangeren
zijzullen derangeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gederangeerd hebben
jijzult gederangeerd hebben
hijzal gederangeerd hebben
wijzullen gederangeerd hebben
julliezullen gederangeerd hebben
zijzullen gederangeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou derangeren
jijzou derangeren
hijzou derangeren
wijzouden derangeren
julliezouden derangeren
zijzouden derangeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gederangeerd hebben
jijzou gederangeerd hebben
hijzou gederangeerd hebben
wijzouden gederangeerd hebben
julliezouden gederangeerd hebben
zijzouden gederangeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijderangeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

hinderen
storen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information