denuderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of denuderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: denuderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: denuderend
Past participle - Verleden deelwoord: gedenudeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdenudeer
jijdenudeert
hijdenudeert
wijdenuderen
julliedenuderen
zijdenuderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedenudeerd
jijhebt gedenudeerd
hijheeft gedenudeerd
wijhebben gedenudeerd
julliehebben gedenudeerd
zijhebben gedenudeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdenudeerde
jijdenudeerde
hijdenudeerde
wijdenudeerden
julliedenudeerden
zijdenudeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedenudeerd
jijhad gedenudeerd
hijhad gedenudeerd
wijhadden gedenudeerd
julliehadden gedenudeerd
zijhadden gedenudeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal denuderen
jijzult denuderen
hijzal denuderen
wijzullen denuderen
julliezullen denuderen
zijzullen denuderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedenudeerd hebben
jijzult gedenudeerd hebben
hijzal gedenudeerd hebben
wijzullen gedenudeerd hebben
julliezullen gedenudeerd hebben
zijzullen gedenudeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou denuderen
jijzou denuderen
hijzou denuderen
wijzouden denuderen
julliezouden denuderen
zijzouden denuderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedenudeerd hebben
jijzou gedenudeerd hebben
hijzou gedenudeerd hebben
wijzouden gedenudeerd hebben
julliezouden gedenudeerd hebben
zijzouden gedenudeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdenudeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information