demonetiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of demonetiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: demonetiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: demonetiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gedemonetiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdemonetiseer
jijdemonetiseert
hijdemonetiseert
wijdemonetiseren
julliedemonetiseren
zijdemonetiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedemonetiseerd
jijhebt gedemonetiseerd
hijheeft gedemonetiseerd
wijhebben gedemonetiseerd
julliehebben gedemonetiseerd
zijhebben gedemonetiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdemonetiseerde
jijdemonetiseerde
hijdemonetiseerde
wijdemonetiseerden
julliedemonetiseerden
zijdemonetiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedemonetiseerd
jijhad gedemonetiseerd
hijhad gedemonetiseerd
wijhadden gedemonetiseerd
julliehadden gedemonetiseerd
zijhadden gedemonetiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal demonetiseren
jijzult demonetiseren
hijzal demonetiseren
wijzullen demonetiseren
julliezullen demonetiseren
zijzullen demonetiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedemonetiseerd hebben
jijzult gedemonetiseerd hebben
hijzal gedemonetiseerd hebben
wijzullen gedemonetiseerd hebben
julliezullen gedemonetiseerd hebben
zijzullen gedemonetiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou demonetiseren
jijzou demonetiseren
hijzou demonetiseren
wijzouden demonetiseren
julliezouden demonetiseren
zijzouden demonetiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedemonetiseerd hebben
jijzou gedemonetiseerd hebben
hijzou gedemonetiseerd hebben
wijzouden gedemonetiseerd hebben
julliezouden gedemonetiseerd hebben
zijzouden gedemonetiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdemonetiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information