decreteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decreteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decreteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decreterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecreteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecreteer
jijdecreteert
hijdecreteert
wijdecreteren
julliedecreteren
zijdecreteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecreteerd
jijhebt gedecreteerd
hijheeft gedecreteerd
wijhebben gedecreteerd
julliehebben gedecreteerd
zijhebben gedecreteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecreteerde
jijdecreteerde
hijdecreteerde
wijdecreteerden
julliedecreteerden
zijdecreteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecreteerd
jijhad gedecreteerd
hijhad gedecreteerd
wijhadden gedecreteerd
julliehadden gedecreteerd
zijhadden gedecreteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decreteren
jijzult decreteren
hijzal decreteren
wijzullen decreteren
julliezullen decreteren
zijzullen decreteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecreteerd hebben
jijzult gedecreteerd hebben
hijzal gedecreteerd hebben
wijzullen gedecreteerd hebben
julliezullen gedecreteerd hebben
zijzullen gedecreteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decreteren
jijzou decreteren
hijzou decreteren
wijzouden decreteren
julliezouden decreteren
zijzouden decreteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecreteerd hebben
jijzou gedecreteerd hebben
hijzou gedecreteerd hebben
wijzouden gedecreteerd hebben
julliezouden gedecreteerd hebben
zijzouden gedecreteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecreteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afkondigen
verordenen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch decreteren, from Middle French décréter.

Additional Information