Infinitive - Onbepaalde wijs: deconditioneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deconditionerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeconditioneerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | deconditioneer |
| jij | deconditioneert |
| hij | deconditioneert |
| wij | deconditioneren |
| jullie | deconditioneren |
| zij | deconditioneren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gedeconditioneerd |
| jij | hebt gedeconditioneerd |
| hij | heeft gedeconditioneerd |
| wij | hebben gedeconditioneerd |
| jullie | hebben gedeconditioneerd |
| zij | hebben gedeconditioneerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | deconditioneerde |
| jij | deconditioneerde |
| hij | deconditioneerde |
| wij | deconditioneerden |
| jullie | deconditioneerden |
| zij | deconditioneerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gedeconditioneerd |
| jij | had gedeconditioneerd |
| hij | had gedeconditioneerd |
| wij | hadden gedeconditioneerd |
| jullie | hadden gedeconditioneerd |
| zij | hadden gedeconditioneerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal deconditioneren |
| jij | zult deconditioneren |
| hij | zal deconditioneren |
| wij | zullen deconditioneren |
| jullie | zullen deconditioneren |
| zij | zullen deconditioneren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gedeconditioneerd hebben |
| jij | zult gedeconditioneerd hebben |
| hij | zal gedeconditioneerd hebben |
| wij | zullen gedeconditioneerd hebben |
| jullie | zullen gedeconditioneerd hebben |
| zij | zullen gedeconditioneerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou deconditioneren |
| jij | zou deconditioneren |
| hij | zou deconditioneren |
| wij | zouden deconditioneren |
| jullie | zouden deconditioneren |
| zij | zouden deconditioneren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gedeconditioneerd hebben |
| jij | zou gedeconditioneerd hebben |
| hij | zou gedeconditioneerd hebben |
| wij | zouden gedeconditioneerd hebben |
| jullie | zouden gedeconditioneerd hebben |
| zij | zouden gedeconditioneerd hebben |
| jij | deconditioneer |