deëscaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deëscaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deëscaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deëscalerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeëscaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeëscaleer
jijdeëscaleert
hijdeëscaleert
wijdeëscaleren
julliedeëscaleren
zijdeëscaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeëscaleerd
jijhebt gedeëscaleerd
hijheeft gedeëscaleerd
wijhebben gedeëscaleerd
julliehebben gedeëscaleerd
zijhebben gedeëscaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeëscaleerde
jijdeëscaleerde
hijdeëscaleerde
wijdeëscaleerden
julliedeëscaleerden
zijdeëscaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeëscaleerd
jijhad gedeëscaleerd
hijhad gedeëscaleerd
wijhadden gedeëscaleerd
julliehadden gedeëscaleerd
zijhadden gedeëscaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deëscaleren
jijzult deëscaleren
hijzal deëscaleren
wijzullen deëscaleren
julliezullen deëscaleren
zijzullen deëscaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeëscaleerd hebben
jijzult gedeëscaleerd hebben
hijzal gedeëscaleerd hebben
wijzullen gedeëscaleerd hebben
julliezullen gedeëscaleerd hebben
zijzullen gedeëscaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deëscaleren
jijzou deëscaleren
hijzou deëscaleren
wijzouden deëscaleren
julliezouden deëscaleren
zijzouden deëscaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeëscaleerd hebben
jijzou gedeëscaleerd hebben
hijzou gedeëscaleerd hebben
wijzouden gedeëscaleerd hebben
julliezouden gedeëscaleerd hebben
zijzouden gedeëscaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeëscaleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information