couperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of couperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: couperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: couperend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoupeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoupeer
jijcoupeert
hijcoupeert
wijcouperen
julliecouperen
zijcouperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoupeerd
jijhebt gecoupeerd
hijheeft gecoupeerd
wijhebben gecoupeerd
julliehebben gecoupeerd
zijhebben gecoupeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoupeerde
jijcoupeerde
hijcoupeerde
wijcoupeerden
julliecoupeerden
zijcoupeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoupeerd
jijhad gecoupeerd
hijhad gecoupeerd
wijhadden gecoupeerd
julliehadden gecoupeerd
zijhadden gecoupeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal couperen
jijzult couperen
hijzal couperen
wijzullen couperen
julliezullen couperen
zijzullen couperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoupeerd hebben
jijzult gecoupeerd hebben
hijzal gecoupeerd hebben
wijzullen gecoupeerd hebben
julliezullen gecoupeerd hebben
zijzullen gecoupeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou couperen
jijzou couperen
hijzou couperen
wijzouden couperen
julliezouden couperen
zijzouden couperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoupeerd hebben
jijzou gecoupeerd hebben
hijzou gecoupeerd hebben
wijzouden gecoupeerd hebben
julliezouden gecoupeerd hebben
zijzouden gecoupeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoupeer

Translations

  • abscind, to cut off
  • dock, to cut off a section of an animal's tail
  • foreclose, to cut off
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afsnijden
    snoeien

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information