coproduceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of coproduceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: coproduceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: coproducerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoproduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoproduceer
jijcoproduceert
hijcoproduceert
wijcoproduceren
julliecoproduceren
zijcoproduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoproduceerd
jijhebt gecoproduceerd
hijheeft gecoproduceerd
wijhebben gecoproduceerd
julliehebben gecoproduceerd
zijhebben gecoproduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoproduceerde
jijcoproduceerde
hijcoproduceerde
wijcoproduceerden
julliecoproduceerden
zijcoproduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoproduceerd
jijhad gecoproduceerd
hijhad gecoproduceerd
wijhadden gecoproduceerd
julliehadden gecoproduceerd
zijhadden gecoproduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal coproduceren
jijzult coproduceren
hijzal coproduceren
wijzullen coproduceren
julliezullen coproduceren
zijzullen coproduceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoproduceerd hebben
jijzult gecoproduceerd hebben
hijzal gecoproduceerd hebben
wijzullen gecoproduceerd hebben
julliezullen gecoproduceerd hebben
zijzullen gecoproduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou coproduceren
jijzou coproduceren
hijzou coproduceren
wijzouden coproduceren
julliezouden coproduceren
zijzouden coproduceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoproduceerd hebben
jijzou gecoproduceerd hebben
hijzou gecoproduceerd hebben
wijzouden gecoproduceerd hebben
julliezouden gecoproduceerd hebben
zijzouden gecoproduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoproduceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information