Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: consumeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: consumerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconsumeerd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | consumeer |
| jij | consumeert |
| hij | consumeert |
| wij | consumeren |
| jullie | consumeren |
| zij | consumeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geconsumeerd |
| jij | hebt geconsumeerd |
| hij | heeft geconsumeerd |
| wij | hebben geconsumeerd |
| jullie | hebben geconsumeerd |
| zij | hebben geconsumeerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | consumeerde |
| jij | consumeerde |
| hij | consumeerde |
| wij | consumeerden |
| jullie | consumeerden |
| zij | consumeerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geconsumeerd |
| jij | had geconsumeerd |
| hij | had geconsumeerd |
| wij | hadden geconsumeerd |
| jullie | hadden geconsumeerd |
| zij | hadden geconsumeerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal consumeren |
| jij | zult consumeren |
| hij | zal consumeren |
| wij | zullen consumeren |
| jullie | zullen consumeren |
| zij | zullen consumeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geconsumeerd hebben |
| jij | zult geconsumeerd hebben |
| hij | zal geconsumeerd hebben |
| wij | zullen geconsumeerd hebben |
| jullie | zullen geconsumeerd hebben |
| zij | zullen geconsumeerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou consumeren |
| jij | zou consumeren |
| hij | zou consumeren |
| wij | zouden consumeren |
| jullie | zouden consumeren |
| zij | zouden consumeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geconsumeerd hebben |
| jij | zou geconsumeerd hebben |
| hij | zou geconsumeerd hebben |
| wij | zouden geconsumeerd hebben |
| jullie | zouden geconsumeerd hebben |
| zij | zouden geconsumeerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'consumeren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'consumeren'
consuleren,
censureren,
conjugeren,
consulteren,
aansmeren,
capsuleren,
censeren,
coaguleren,
collimeren,
commuteren,
Sample Sentences
-
Het is belangrijk om gezond voedsel te consumeren voor een evenwichtig dieet. (It is important to consume healthy food for a balanced diet.)
-
De elektrische apparaten consumeren veel energie. (The electrical appliances consume a lot of energy.)
-
Het is verstandig om niet te veel suikerhoudende drankjes te consumeren. (It is wise not to consume too many sugary drinks.)
-
Na het huwelijk werden ze verwacht de relatie te consumeren om hun huwelijk officieel te maken. (After the wedding, they were expected to consummate their relationship to make their marriage official.)
-
In sommige culturen wordt verwacht dat het paar hun huwelijk onmiddellijk na de ceremonie consumeert. (In some cultures, the couple is expected to consummate their marriage immediately after the ceremony.)
-
Het was een ouderwetse opvatting dat een huwelijk pas geldig was nadat het was geconsumeerd door het paar. (It was an old-fashioned belief that a marriage was only valid after it had been consummated by the couple.)
Etymology
From Middle Dutch consumeren, from Middle French consumer, from Old French consumer, from Latin cōnsūmō. See: Latin '
cōnsūmō'.
Additional Information