completeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of completeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: completeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: completerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecompleteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcompleteer
jijcompleteert
hijcompleteert
wijcompleteren
julliecompleteren
zijcompleteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecompleteerd
jijhebt gecompleteerd
hijheeft gecompleteerd
wijhebben gecompleteerd
julliehebben gecompleteerd
zijhebben gecompleteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcompleteerde
jijcompleteerde
hijcompleteerde
wijcompleteerden
julliecompleteerden
zijcompleteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecompleteerd
jijhad gecompleteerd
hijhad gecompleteerd
wijhadden gecompleteerd
julliehadden gecompleteerd
zijhadden gecompleteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal completeren
jijzult completeren
hijzal completeren
wijzullen completeren
julliezullen completeren
zijzullen completeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecompleteerd hebben
jijzult gecompleteerd hebben
hijzal gecompleteerd hebben
wijzullen gecompleteerd hebben
julliezullen gecompleteerd hebben
zijzullen gecompleteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou completeren
jijzou completeren
hijzou completeren
wijzouden completeren
julliezouden completeren
zijzouden completeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecompleteerd hebben
jijzou gecompleteerd hebben
hijzou gecompleteerd hebben
wijzouden gecompleteerd hebben
julliezouden gecompleteerd hebben
zijzouden gecompleteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcompleteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aanvullen
afronden, vervolmaken

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French compléter. See: French 'compléter'.

Additional Information