coaguleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of coaguleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: coaguleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: coagulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoaguleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoaguleer
jijcoaguleert
hijcoaguleert
wijcoaguleren
julliecoaguleren
zijcoaguleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoaguleerd
jijhebt gecoaguleerd
hijheeft gecoaguleerd
wijhebben gecoaguleerd
julliehebben gecoaguleerd
zijhebben gecoaguleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoaguleerde
jijcoaguleerde
hijcoaguleerde
wijcoaguleerden
julliecoaguleerden
zijcoaguleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoaguleerd
jijhad gecoaguleerd
hijhad gecoaguleerd
wijhadden gecoaguleerd
julliehadden gecoaguleerd
zijhadden gecoaguleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal coaguleren
jijzult coaguleren
hijzal coaguleren
wijzullen coaguleren
julliezullen coaguleren
zijzullen coaguleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoaguleerd hebben
jijzult gecoaguleerd hebben
hijzal gecoaguleerd hebben
wijzullen gecoaguleerd hebben
julliezullen gecoaguleerd hebben
zijzullen gecoaguleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou coaguleren
jijzou coaguleren
hijzou coaguleren
wijzouden coaguleren
julliezouden coaguleren
zijzouden coaguleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoaguleerd hebben
jijzou gecoaguleerd hebben
hijzou gecoaguleerd hebben
wijzouden gecoaguleerd hebben
julliezouden gecoaguleerd hebben
zijzouden gecoaguleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoaguleer

Translations

  • coagulate, become congealed
  • coagulate, cause to congeal
  • congeal, to become congealed, solidify
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information