clausuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of clausuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: clausuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: clausulerend
Past participle - Verleden deelwoord: geclausuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikclausuleer
jijclausuleert
hijclausuleert
wijclausuleren
jullieclausuleren
zijclausuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geclausuleerd
jijhebt geclausuleerd
hijheeft geclausuleerd
wijhebben geclausuleerd
julliehebben geclausuleerd
zijhebben geclausuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikclausuleerde
jijclausuleerde
hijclausuleerde
wijclausuleerden
jullieclausuleerden
zijclausuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geclausuleerd
jijhad geclausuleerd
hijhad geclausuleerd
wijhadden geclausuleerd
julliehadden geclausuleerd
zijhadden geclausuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal clausuleren
jijzult clausuleren
hijzal clausuleren
wijzullen clausuleren
julliezullen clausuleren
zijzullen clausuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geclausuleerd hebben
jijzult geclausuleerd hebben
hijzal geclausuleerd hebben
wijzullen geclausuleerd hebben
julliezullen geclausuleerd hebben
zijzullen geclausuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou clausuleren
jijzou clausuleren
hijzou clausuleren
wijzouden clausuleren
julliezouden clausuleren
zijzouden clausuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geclausuleerd hebben
jijzou geclausuleerd hebben
hijzou geclausuleerd hebben
wijzouden geclausuleerd hebben
julliezouden geclausuleerd hebben
zijzouden geclausuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijclausuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information