checken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of checken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: checken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: checkend
Past participle - Verleden deelwoord: gecheckt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcheck
jijcheckt
hijcheckt
wijchecken
julliechecken
zijchecken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecheckt
jijhebt gecheckt
hijheeft gecheckt
wijhebben gecheckt
julliehebben gecheckt
zijhebben gecheckt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcheckte
jijcheckte
hijcheckte
wijcheckten
julliecheckten
zijcheckten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecheckt
jijhad gecheckt
hijhad gecheckt
wijhadden gecheckt
julliehadden gecheckt
zijhadden gecheckt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal checken
jijzult checken
hijzal checken
wijzullen checken
julliezullen checken
zijzullen checken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecheckt hebben
jijzult gecheckt hebben
hijzal gecheckt hebben
wijzullen gecheckt hebben
julliezullen gecheckt hebben
zijzullen gecheckt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou checken
jijzou checken
hijzou checken
wijzouden checken
julliezouden checken
zijzouden checken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecheckt hebben
jijzou gecheckt hebben
hijzou gecheckt hebben
wijzouden gecheckt hebben
julliezouden gecheckt hebben
zijzouden gecheckt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcheck

Translations

  • check, to inspect, examine
  • oversee, to inspect, examine
  • vet, check or investigate particularly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    collationeren
    controleren, vergelijken, verifiëren

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English check. See: English 'check'.

    Verbs referencing "checken"

    Indonesian cek.

    Additional Information