chanteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of chanteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: chanteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: chanterend
Past participle - Verleden deelwoord: gechanteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikchanteer
jijchanteert
hijchanteert
wijchanteren
julliechanteren
zijchanteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gechanteerd
jijhebt gechanteerd
hijheeft gechanteerd
wijhebben gechanteerd
julliehebben gechanteerd
zijhebben gechanteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikchanteerde
jijchanteerde
hijchanteerde
wijchanteerden
julliechanteerden
zijchanteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gechanteerd
jijhad gechanteerd
hijhad gechanteerd
wijhadden gechanteerd
julliehadden gechanteerd
zijhadden gechanteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal chanteren
jijzult chanteren
hijzal chanteren
wijzullen chanteren
julliezullen chanteren
zijzullen chanteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gechanteerd hebben
jijzult gechanteerd hebben
hijzal gechanteerd hebben
wijzullen gechanteerd hebben
julliezullen gechanteerd hebben
zijzullen gechanteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou chanteren
jijzou chanteren
hijzou chanteren
wijzouden chanteren
julliezouden chanteren
zijzouden chanteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gechanteerd hebben
jijzou gechanteerd hebben
hijzou gechanteerd hebben
wijzouden gechanteerd hebben
julliezouden gechanteerd hebben
zijzouden gechanteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijchanteer

Translations

  • blackmail, to extort money
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afpersen
    aftroggelen

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French chanter. See: French 'chanter'.

    Additional Information