cementeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cementeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cementeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cementerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecementeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcementeer
jijcementeert
hijcementeert
wijcementeren
julliecementeren
zijcementeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecementeerd
jijhebt gecementeerd
hijheeft gecementeerd
wijhebben gecementeerd
julliehebben gecementeerd
zijhebben gecementeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcementeerde
jijcementeerde
hijcementeerde
wijcementeerden
julliecementeerden
zijcementeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecementeerd
jijhad gecementeerd
hijhad gecementeerd
wijhadden gecementeerd
julliehadden gecementeerd
zijhadden gecementeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cementeren
jijzult cementeren
hijzal cementeren
wijzullen cementeren
julliezullen cementeren
zijzullen cementeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecementeerd hebben
jijzult gecementeerd hebben
hijzal gecementeerd hebben
wijzullen gecementeerd hebben
julliezullen gecementeerd hebben
zijzullen gecementeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cementeren
jijzou cementeren
hijzou cementeren
wijzouden cementeren
julliezouden cementeren
zijzouden cementeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecementeerd hebben
jijzou gecementeerd hebben
hijzou gecementeerd hebben
wijzouden gecementeerd hebben
julliezouden gecementeerd hebben
zijzouden gecementeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcementeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information