brutaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of brutaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: brutaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: brutaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gebrutaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrutaliseer
jijbrutaliseert
hijbrutaliseert
wijbrutaliseren
julliebrutaliseren
zijbrutaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebrutaliseerd
jijhebt gebrutaliseerd
hijheeft gebrutaliseerd
wijhebben gebrutaliseerd
julliehebben gebrutaliseerd
zijhebben gebrutaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrutaliseerde
jijbrutaliseerde
hijbrutaliseerde
wijbrutaliseerden
julliebrutaliseerden
zijbrutaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebrutaliseerd
jijhad gebrutaliseerd
hijhad gebrutaliseerd
wijhadden gebrutaliseerd
julliehadden gebrutaliseerd
zijhadden gebrutaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal brutaliseren
jijzult brutaliseren
hijzal brutaliseren
wijzullen brutaliseren
julliezullen brutaliseren
zijzullen brutaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebrutaliseerd hebben
jijzult gebrutaliseerd hebben
hijzal gebrutaliseerd hebben
wijzullen gebrutaliseerd hebben
julliezullen gebrutaliseerd hebben
zijzullen gebrutaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou brutaliseren
jijzou brutaliseren
hijzou brutaliseren
wijzouden brutaliseren
julliezouden brutaliseren
zijzouden brutaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebrutaliseerd hebben
jijzou gebrutaliseerd hebben
hijzou gebrutaliseerd hebben
wijzouden gebrutaliseerd hebben
julliezouden gebrutaliseerd hebben
zijzouden gebrutaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrutaliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information