brokkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of brokkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: brokkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: brokkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebrokkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrokkel
jijbrokkelt
hijbrokkelt
wijbrokkelen
julliebrokkelen
zijbrokkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebrokkeld
jijhebt gebrokkeld
hijheeft gebrokkeld
wijhebben gebrokkeld
julliehebben gebrokkeld
zijhebben gebrokkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrokkelde
jijbrokkelde
hijbrokkelde
wijbrokkelden
julliebrokkelden
zijbrokkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebrokkeld
jijhad gebrokkeld
hijhad gebrokkeld
wijhadden gebrokkeld
julliehadden gebrokkeld
zijhadden gebrokkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal brokkelen
jijzult brokkelen
hijzal brokkelen
wijzullen brokkelen
julliezullen brokkelen
zijzullen brokkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebrokkeld hebben
jijzult gebrokkeld hebben
hijzal gebrokkeld hebben
wijzullen gebrokkeld hebben
julliezullen gebrokkeld hebben
zijzullen gebrokkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou brokkelen
jijzou brokkelen
hijzou brokkelen
wijzouden brokkelen
julliezouden brokkelen
zijzouden brokkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebrokkeld hebben
jijzou gebrokkeld hebben
hijzou gebrokkeld hebben
wijzouden gebrokkeld hebben
julliezouden gebrokkeld hebben
zijzouden gebrokkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrokkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From brokken + -elen.

Verbs referencing "brokkelen"

German, Pennsylvania brockle.

Additional Information