breidelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of breidelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: breidelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: breidelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebreideld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreidel
jijbreidelt
hijbreidelt
wijbreidelen
julliebreidelen
zijbreidelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebreideld
jijhebt gebreideld
hijheeft gebreideld
wijhebben gebreideld
julliehebben gebreideld
zijhebben gebreideld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbreidelde
jijbreidelde
hijbreidelde
wijbreidelden
julliebreidelden
zijbreidelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebreideld
jijhad gebreideld
hijhad gebreideld
wijhadden gebreideld
julliehadden gebreideld
zijhadden gebreideld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal breidelen
jijzult breidelen
hijzal breidelen
wijzullen breidelen
julliezullen breidelen
zijzullen breidelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebreideld hebben
jijzult gebreideld hebben
hijzal gebreideld hebben
wijzullen gebreideld hebben
julliezullen gebreideld hebben
zijzullen gebreideld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou breidelen
jijzou breidelen
hijzou breidelen
wijzouden breidelen
julliezouden breidelen
zijzouden breidelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebreideld hebben
jijzou gebreideld hebben
hijzou gebreideld hebben
wijzouden gebreideld hebben
julliezouden gebreideld hebben
zijzouden gebreideld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreidel

Translations

  • bridle, to put a bridle on.
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch breidelen. Equivalent to breidel + -en.

    Additional Information