bougeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bougeren

The word "bougeren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bougeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bougerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebougeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbougeer
jijbougeert
hijbougeert
wijbougeren
julliebougeren
zijbougeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebougeerd
jijhebt gebougeerd
hijheeft gebougeerd
wijhebben gebougeerd
julliehebben gebougeerd
zijhebben gebougeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbougeerde
jijbougeerde
hijbougeerde
wijbougeerden
julliebougeerden
zijbougeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebougeerd
jijhad gebougeerd
hijhad gebougeerd
wijhadden gebougeerd
julliehadden gebougeerd
zijhadden gebougeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bougeren
jijzult bougeren
hijzal bougeren
wijzullen bougeren
julliezullen bougeren
zijzullen bougeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebougeerd hebben
jijzult gebougeerd hebben
hijzal gebougeerd hebben
wijzullen gebougeerd hebben
julliezullen gebougeerd hebben
zijzullen gebougeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bougeren
jijzou bougeren
hijzou bougeren
wijzouden bougeren
julliezouden bougeren
zijzouden bougeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebougeerd hebben
jijzou gebougeerd hebben
hijzou gebougeerd hebben
wijzouden gebougeerd hebben
julliezouden gebougeerd hebben
zijzouden gebougeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbougeer

Verbs similar to 'bougeren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French bouger. See: French 'bouger'.

Additional Information