Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bootsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bootsend
Past participle - Verleden deelwoord: gebootst
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | boots |
| jij | bootst |
| hij | bootst |
| wij | bootsen |
| jullie | bootsen |
| zij | bootsen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gebootst |
| jij | hebt gebootst |
| hij | heeft gebootst |
| wij | hebben gebootst |
| jullie | hebben gebootst |
| zij | hebben gebootst |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bootste |
| jij | bootste |
| hij | bootste |
| wij | bootsten |
| jullie | bootsten |
| zij | bootsten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gebootst |
| jij | had gebootst |
| hij | had gebootst |
| wij | hadden gebootst |
| jullie | hadden gebootst |
| zij | hadden gebootst |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bootsen |
| jij | zult bootsen |
| hij | zal bootsen |
| wij | zullen bootsen |
| jullie | zullen bootsen |
| zij | zullen bootsen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gebootst hebben |
| jij | zult gebootst hebben |
| hij | zal gebootst hebben |
| wij | zullen gebootst hebben |
| jullie | zullen gebootst hebben |
| zij | zullen gebootst hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bootsen |
| jij | zou bootsen |
| hij | zou bootsen |
| wij | zouden bootsen |
| jullie | zouden bootsen |
| zij | zouden bootsen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gebootst hebben |
| jij | zou gebootst hebben |
| hij | zou gebootst hebben |
| wij | zouden gebootst hebben |
| jullie | zouden gebootst hebben |
| zij | zouden gebootst hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bootsen'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bootsen'
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] den geliefkoosden held der Vlaamsche burgerij met zijne kolossale vormen in nagemaakt koper gebootst [...] (… the beloved hero of the Flemish bourgeoisie with his colossal forms modelled in imitation copper …) [1849 June 9, “Het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres. Tweede brief van iemant in Gent, aan iemant in Amsterdam.”, in De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad, 's-Hertogenbosch, page 2:]
-
De voorwerpen uit was geboetseerd en hier ingezonden zijn zoo natuurlijk, zoo bedriegelijk gebootst, dat eenige dames de verzekering van den oppasser behoefden, "dat alles uit witte was vervaardigd was," om te kunnen gelooven. (The objects modelled in wax and submitted here are so naturally, so deceptively modelled, that some ladies needed the assurance of the attendant "that everything was made of white wax" in order to believe.) [1861 August 18, “DE TENTOONSTELLING VAN NIJVERHEID”, in Surinaamsch weekblad, Paramaribo, page 1:]
-
Wie het niet wist, moest het reeds bemerkt hebben aan de tallooze vaandeldragende lammertjes, in suiker gebootst en achter de glazen van elke pastieceria of zelfs eener fabbrica de pasta tentoongesteld. (Anyone who did not know should have noticed it already from the countless flag-bearing lambs, modelled in sugar and displayed behind the windows of every pastiecceria or even a fabbrica de pasta.) [1869 February 4, “ROMEINSCHE BRIEVEN”, in De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad, 's-Hertogenbosch, page 2:]
Etymology
Borrowed from Picard Old French bocer (“to form, to make a work of art in relief”), for which see modern French bosseler (“to emboss”). See also boetseren. See: French '
bosseler'.
Additional Information