bloeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bloeien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bloeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bloeiend
Past participle - Verleden deelwoord: gebloeid

Cognates

See the 3 cognates of bloeien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbloei
jijbloeit
hijbloeit
wijbloeien
julliebloeien
zijbloeien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebloeid
jijhebt gebloeid
hijheeft gebloeid
wijhebben gebloeid
julliehebben gebloeid
zijhebben gebloeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbloeide
jijbloeide
hijbloeide
wijbloeiden
julliebloeiden
zijbloeiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebloeid
jijhad gebloeid
hijhad gebloeid
wijhadden gebloeid
julliehadden gebloeid
zijhadden gebloeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bloeien
jijzult bloeien
hijzal bloeien
wijzullen bloeien
julliezullen bloeien
zijzullen bloeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebloeid hebben
jijzult gebloeid hebben
hijzal gebloeid hebben
wijzullen gebloeid hebben
julliezullen gebloeid hebben
zijzullen gebloeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bloeien
jijzou bloeien
hijzou bloeien
wijzouden bloeien
julliezouden bloeien
zijzouden bloeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebloeid hebben
jijzou gebloeid hebben
hijzou gebloeid hebben
wijzouden gebloeid hebben
julliezouden gebloeid hebben
zijzouden gebloeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbloei

Translations

  • blossom, have or open into blossoms
  • boom, to be prosperous
  • burgeon, of plants, to bloom, bud
  • flourish, to thrive or grow well
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    floreren
    gedijen

    Sample Sentences

    • Hij bloeide in de laatste twee decennia van de veertiende eeuw. (He flourished in the two final decades of the fourteenth century.)

    Etymology

    From Middle Dutch bloeyen, from Old Dutch bluoien, from Proto-West Germanic *blōan, from Proto-Germanic *blōaną. See: Proto-Germanic '*blōaną'.

    Verbs referencing "bloeien"

    German, old spelling blühen, Luxembourgish bléien, Alemannic German blüeje.

    Additional Information