blesseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blesseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blesseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blesserend
Past participle - Verleden deelwoord: geblesseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblesseer
jijblesseert
hijblesseert
wijblesseren
jullieblesseren
zijblesseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblesseerd
jijhebt geblesseerd
hijheeft geblesseerd
wijhebben geblesseerd
julliehebben geblesseerd
zijhebben geblesseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblesseerde
jijblesseerde
hijblesseerde
wijblesseerden
jullieblesseerden
zijblesseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblesseerd
jijhad geblesseerd
hijhad geblesseerd
wijhadden geblesseerd
julliehadden geblesseerd
zijhadden geblesseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blesseren
jijzult blesseren
hijzal blesseren
wijzullen blesseren
julliezullen blesseren
zijzullen blesseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblesseerd hebben
jijzult geblesseerd hebben
hijzal geblesseerd hebben
wijzullen geblesseerd hebben
julliezullen geblesseerd hebben
zijzullen geblesseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blesseren
jijzou blesseren
hijzou blesseren
wijzouden blesseren
julliezouden blesseren
zijzouden blesseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblesseerd hebben
jijzou geblesseerd hebben
hijzou geblesseerd hebben
wijzouden geblesseerd hebben
julliezouden geblesseerd hebben
zijzouden geblesseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblesseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French blesser. See: French 'blesser'.

Additional Information