Infinitive - Onbepaalde wijs: bitumineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bituminerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebitumineerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bitumineer |
| jij | bitumineert |
| hij | bitumineert |
| wij | bitumineren |
| jullie | bitumineren |
| zij | bitumineren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gebitumineerd |
| jij | hebt gebitumineerd |
| hij | heeft gebitumineerd |
| wij | hebben gebitumineerd |
| jullie | hebben gebitumineerd |
| zij | hebben gebitumineerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bitumineerde |
| jij | bitumineerde |
| hij | bitumineerde |
| wij | bitumineerden |
| jullie | bitumineerden |
| zij | bitumineerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gebitumineerd |
| jij | had gebitumineerd |
| hij | had gebitumineerd |
| wij | hadden gebitumineerd |
| jullie | hadden gebitumineerd |
| zij | hadden gebitumineerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bitumineren |
| jij | zult bitumineren |
| hij | zal bitumineren |
| wij | zullen bitumineren |
| jullie | zullen bitumineren |
| zij | zullen bitumineren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gebitumineerd hebben |
| jij | zult gebitumineerd hebben |
| hij | zal gebitumineerd hebben |
| wij | zullen gebitumineerd hebben |
| jullie | zullen gebitumineerd hebben |
| zij | zullen gebitumineerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bitumineren |
| jij | zou bitumineren |
| hij | zou bitumineren |
| wij | zouden bitumineren |
| jullie | zouden bitumineren |
| zij | zouden bitumineren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gebitumineerd hebben |
| jij | zou gebitumineerd hebben |
| hij | zou gebitumineerd hebben |
| wij | zouden gebitumineerd hebben |
| jullie | zouden gebitumineerd hebben |
| zij | zouden gebitumineerd hebben |
| jij | bitumineer |