beteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beterend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeter
jijbetert
hijbetert
wijbeteren
julliebeteren
zijbeteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeterd
jijhebt gebeterd
hijheeft gebeterd
wijhebben gebeterd
julliehebben gebeterd
zijhebben gebeterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeterde
jijbeterde
hijbeterde
wijbeterden
julliebeterden
zijbeterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeterd
jijhad gebeterd
hijhad gebeterd
wijhadden gebeterd
julliehadden gebeterd
zijhadden gebeterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beteren
jijzult beteren
hijzal beteren
wijzullen beteren
julliezullen beteren
zijzullen beteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeterd hebben
jijzult gebeterd hebben
hijzal gebeterd hebben
wijzullen gebeterd hebben
julliezullen gebeterd hebben
zijzullen gebeterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beteren
jijzou beteren
hijzou beteren
wijzouden beteren
julliezouden beteren
zijzouden beteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeterd hebben
jijzou gebeterd hebben
hijzou gebeterd hebben
wijzouden gebeterd hebben
julliezouden gebeterd hebben
zijzouden gebeterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeter

Translations

  • amend, to become better
  • batten, to become better
  • better, to become better
  • improve, to become better
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bēteren, from Old Dutch *beteron, from Proto-Germanic *batizōną. Equivalent to beter + -en. See: Old Dutch '*beteron', Proto-Germanic '*batizōną'.

    Additional Information