beroepen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beroepen

The word "beroepen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beroepen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beroepend
Past participle - Verleden deelwoord: beroept

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikberoep
jijberoept
hijberoept
wijberoepen
jullieberoepen
zijberoepen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beroept
jijhebt beroept
hijheeft beroept
wijhebben beroept
julliehebben beroept
zijhebben beroept

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikberoepte
jijberoepte
hijberoepte
wijberoepten
jullieberoepten
zijberoepten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beroept
jijhad beroept
hijhad beroept
wijhadden beroept
julliehadden beroept
zijhadden beroept

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beroepen
jijzult beroepen
hijzal beroepen
wijzullen beroepen
julliezullen beroepen
zijzullen beroepen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beroept hebben
jijzult beroept hebben
hijzal beroept hebben
wijzullen beroept hebben
julliezullen beroept hebben
zijzullen beroept hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beroepen
jijzou beroepen
hijzou beroepen
wijzouden beroepen
julliezouden beroepen
zijzouden beroepen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beroept hebben
jijzou beroept hebben
hijzou beroept hebben
wijzouden beroept hebben
julliezouden beroept hebben
zijzouden beroept hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijberoep

Verbs similar to 'beroepen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch beroepen. Equivalent to be- + roepen.

Verbs referencing "beroepen"

German, old spelling berufen.

Additional Information