bereiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bereiden

The word "bereiden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bereiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bereidend
Past participle - Verleden deelwoord: bereid

Cognates

See the 4 cognates of bereiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbereid
jijbereidt
hijbereidt
wijbereiden
julliebereiden
zijbereiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bereid
jijhebt bereid
hijheeft bereid
wijhebben bereid
julliehebben bereid
zijhebben bereid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbereidde
jijbereidde
hijbereidde
wijbereidden
julliebereidden
zijbereidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bereid
jijhad bereid
hijhad bereid
wijhadden bereid
julliehadden bereid
zijhadden bereid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bereiden
jijzult bereiden
hijzal bereiden
wijzullen bereiden
julliezullen bereiden
zijzullen bereiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bereid hebben
jijzult bereid hebben
hijzal bereid hebben
wijzullen bereid hebben
julliezullen bereid hebben
zijzullen bereid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bereiden
jijzou bereiden
hijzou bereiden
wijzouden bereiden
julliezouden bereiden
zijzouden bereiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bereid hebben
jijzou bereid hebben
hijzou bereid hebben
wijzouden bereid hebben
julliezouden bereid hebben
zijzouden bereid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbereid

Verbs similar to 'bereiden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bereiden, from reiden, reden, from Old Dutch *reiden, from Proto-Germanic *raidijaną. See: Proto-Germanic '*raidijaną'.

Verbs referencing "bereiden"

Swedish bereda.

Additional Information