bemonsteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bemonsteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bemonsteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bemonsterend
Past participle - Verleden deelwoord: bemonsterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbemonster
jijbemonstert
hijbemonstert
wijbemonsteren
julliebemonsteren
zijbemonsteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bemonsterd
jijhebt bemonsterd
hijheeft bemonsterd
wijhebben bemonsterd
julliehebben bemonsterd
zijhebben bemonsterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbemonsterde
jijbemonsterde
hijbemonsterde
wijbemonsterden
julliebemonsterden
zijbemonsterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bemonsterd
jijhad bemonsterd
hijhad bemonsterd
wijhadden bemonsterd
julliehadden bemonsterd
zijhadden bemonsterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bemonsteren
jijzult bemonsteren
hijzal bemonsteren
wijzullen bemonsteren
julliezullen bemonsteren
zijzullen bemonsteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bemonsterd hebben
jijzult bemonsterd hebben
hijzal bemonsterd hebben
wijzullen bemonsterd hebben
julliezullen bemonsterd hebben
zijzullen bemonsterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bemonsteren
jijzou bemonsteren
hijzou bemonsteren
wijzouden bemonsteren
julliezouden bemonsteren
zijzouden bemonsteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bemonsterd hebben
jijzou bemonsterd hebben
hijzou bemonsterd hebben
wijzouden bemonsterd hebben
julliezouden bemonsterd hebben
zijzouden bemonsterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbemonster

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information