aanmonsteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanmonsteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmonsteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmonsterend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemonsterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmonster aan
jijmonstert aan
hijmonstert aan
wijmonsteren aan
julliemonsteren aan
zijmonsteren aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangemonsterd
jijhebt aangemonsterd
hijheeft aangemonsterd
wijhebben aangemonsterd
julliehebben aangemonsterd
zijhebben aangemonsterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmonsterde aan
jijmonsterde aan
hijmonsterde aan
wijmonsterden aan
julliemonsterden aan
zijmonsterden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangemonsterd
jijhad aangemonsterd
hijhad aangemonsterd
wijhadden aangemonsterd
julliehadden aangemonsterd
zijhadden aangemonsterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanmonsteren
jijzult aanmonsteren
hijzal aanmonsteren
wijzullen aanmonsteren
julliezullen aanmonsteren
zijzullen aanmonsteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangemonsterd hebben
jijzult aangemonsterd hebben
hijzal aangemonsterd hebben
wijzullen aangemonsterd hebben
julliezullen aangemonsterd hebben
zijzullen aangemonsterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanmonsteren
jijzou aanmonsteren
hijzou aanmonsteren
wijzouden aanmonsteren
julliezouden aanmonsteren
zijzouden aanmonsteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangemonsterd hebben
jijzou aangemonsterd hebben
hijzou aangemonsterd hebben
wijzouden aangemonsterd hebben
julliezouden aangemonsterd hebben
zijzouden aangemonsterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmonster aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information