bemesten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bemesten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bemesten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bemestend
Past participle - Verleden deelwoord: bemest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbemest
jijbemest
hijbemest
wijbemesten
julliebemesten
zijbemesten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bemest
jijhebt bemest
hijheeft bemest
wijhebben bemest
julliehebben bemest
zijhebben bemest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbemestte
jijbemestte
hijbemestte
wijbemestten
julliebemestten
zijbemestten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bemest
jijhad bemest
hijhad bemest
wijhadden bemest
julliehadden bemest
zijhadden bemest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bemesten
jijzult bemesten
hijzal bemesten
wijzullen bemesten
julliezullen bemesten
zijzullen bemesten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bemest hebben
jijzult bemest hebben
hijzal bemest hebben
wijzullen bemest hebben
julliezullen bemest hebben
zijzullen bemest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bemesten
jijzou bemesten
hijzou bemesten
wijzouden bemesten
julliezouden bemesten
zijzouden bemesten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bemest hebben
jijzou bemest hebben
hijzou bemest hebben
wijzouden bemest hebben
julliezouden bemest hebben
zijzouden bemest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbemest

Translations

  • manure, to apply manure
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + mesten.

    Additional Information