beknibbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beknibbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beknibbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beknibbelend
Past participle - Verleden deelwoord: beknibbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeknibbel
jijbeknibbelt
hijbeknibbelt
wijbeknibbelen
julliebeknibbelen
zijbeknibbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beknibbeld
jijhebt beknibbeld
hijheeft beknibbeld
wijhebben beknibbeld
julliehebben beknibbeld
zijhebben beknibbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeknibbelde
jijbeknibbelde
hijbeknibbelde
wijbeknibbelden
julliebeknibbelden
zijbeknibbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beknibbeld
jijhad beknibbeld
hijhad beknibbeld
wijhadden beknibbeld
julliehadden beknibbeld
zijhadden beknibbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beknibbelen
jijzult beknibbelen
hijzal beknibbelen
wijzullen beknibbelen
julliezullen beknibbelen
zijzullen beknibbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beknibbeld hebben
jijzult beknibbeld hebben
hijzal beknibbeld hebben
wijzullen beknibbeld hebben
julliezullen beknibbeld hebben
zijzullen beknibbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beknibbelen
jijzou beknibbelen
hijzou beknibbelen
wijzouden beknibbelen
julliezouden beknibbelen
zijzouden beknibbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beknibbeld hebben
jijzou beknibbeld hebben
hijzou beknibbeld hebben
wijzouden beknibbeld hebben
julliezouden beknibbeld hebben
zijzouden beknibbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeknibbel

Translations

  • pare, To reduce or trim something (as if) by cutting off
  • skimp, to save; to be parsimonious or stingy
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + knibbelen.

    Additional Information