beiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beiden

The word "beiden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beidend
Past participle - Verleden deelwoord: beid

Cognates

See the 7 cognates of beiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeid
jijbeidt
hijbeidt
wijbeiden
julliebeiden
zijbeiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beid
jijhebt beid
hijheeft beid
wijhebben beid
julliehebben beid
zijhebben beid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeidde
jijbeidde
hijbeidde
wijbeidden
julliebeidden
zijbeidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beid
jijhad beid
hijhad beid
wijhadden beid
julliehadden beid
zijhadden beid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beiden
jijzult beiden
hijzal beiden
wijzullen beiden
julliezullen beiden
zijzullen beiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beid hebben
jijzult beid hebben
hijzal beid hebben
wijzullen beid hebben
julliezullen beid hebben
zijzullen beid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beiden
jijzou beiden
hijzou beiden
wijzouden beiden
julliezouden beiden
zijzouden beiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beid hebben
jijzou beid hebben
hijzou beid hebben
wijzouden beid hebben
julliezouden beid hebben
zijzouden beid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeid

Verbs similar to 'beiden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch beiden, from Old Dutch beiden, from Proto-Germanic *baidijaną. See: Proto-Germanic '*baidijaną'.

Verbs referencing "beiden"

English bide.

Additional Information